Hond op kantoor, werknemer ziek

PrintPrint

Mag je zomaar een huisdier meenemen naar een werkplek? Niet als de arbeidsomstandigheden van werknemers daarmee in het geding komen, zo blijkt uit onderstaande zaak.

De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft recent uitspraak gedaan in een opmerkelijke zaak. Een werkgever nam zijn hond - een husky waar hij kennelijk heel erg op gesteld was - mee naar kantoor. Helaas was een van zijn werknemers allergisch voor hondenharen en wordt zij ziek. De werkgever weigerde de hond thuis te laten. In het geschil dat daardoor ontstaat wordt uiteindelijk de arbeidsovereenkomst ontbonden. De werknemer krijgt wel een billijke vergoeding mee.

De werkneemster werkte sinds november 2014 bij het bedrijf als assistent accountant. Ongeveer een jaar later is de hond van de directeur ineens aanwezig op de werkvloer. De hond kon moeilijk alleen thuis zijn volgens de directeur en daarom besluit hij hem maar mee te nemen naar het werk. In juni 2016 meldt de vrouw zich ziek, vanwege van verkoudheid en problemen met de luchtwegen.

Bedrijfsarts
De arbodienst legt het verband met de hond. In de verzuimrapportage staat dat de werkneemster klachten heeft die pas op kantoor opspelen. Zo schrijft de arbodienst: ‘Het lijkt waarschijnlijk dat de klachten te maken hebben met de sinds eind december aanwezigheid  van de hond. Hier is ook over gesproken, echter zou het geen optie zijn de hond thuis te laten aangezien deze niet alleen kan zijn.’

De bedrijfsarts raadt echter toch aan de hond thuis te laten. En als dat niet haalbaar is, dan kan de werkneemster vanuit medisch oogpunt niets anders dan de ziekmakende omgeving vermijden. Met andere woorden: thuisblijven en het werk vanuit huis verrichten.

Deskundigenoordeel
De werkgever voert enkele aanpassingen door op de werkvloer (zo wordt een luchtverfrissingsapparaat aangeschaft), maar hij blijft de hond mee naar het werk nemen. De werkneemster vraagt het UWV te beoordelen of haar werkgever voldoende doet aan haar re-integratie. Het oordeel van het UWV is spijkerhard: de werkgever doet niet genoeg. De werknemer en de werkgever staan lijnrecht tegenover elkaar als het gaat om de vraag of er sprake is van een schone werkomgeving. Omdat de husky nog gewoon op de werkplek komt en dit zorgt voor een negatieve invloed op de gezondheid van werknemer, geeft het UWV haar gelijk. Het feit dat werkgever zich - kennelijk door privéomstandigheden - gedwongen ziet zijn hond mee te nemen naar het werk, doet daaraan niet af, zo vindt het UWV.

Verzoek tot ontbinding
De werknemer gaat vervolgens naar de rechter. Ze vraagt om de arbeidsovereenkomst te ontbinden met toekenning van een transitievergoeding en een aanvullende billijke vergoeding. Zij vindt namelijk dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, wat volgens de wetgeschiedenis van de op 1 juli 2015 ingevoerde Wet Werk en Zekerheid reden is om een extra vergoeding toe te kennen.

Arbowet
De rechter overweegt dat er van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever niet snel sprake kan zijn. Het moet gaan om duidelijke en uitzonderlijke gevallen van onrechtmatige gedragingen die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met goed werkgeverschap.

De kantonrechter merkt op dat de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden hier een voorbeeld van is. In artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet is immers bepaald dat de werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en daartoe een beleid voert dat is gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden.

Veeg uit de pan
Volgens de rechter is er van een dergelijke situatie sprake: de werkgever heeft onvoldoende zorg gedragen voor een gezonde werkomgeving en daarom handelt hij ernstig verwijtbaar. Hij krijgt een flinke veeg uit de pan van de rechter: de rechter kan begrip opbrengen voor de gevoelens van de werknemer dat de werkgever de hond belangrijker vond dan haar gezondheid.

De rechter stelt voorop dat het houden van een hond op een kantoor geen algemeen normaal gebruik is en dat de hond niet al bij aanvang van het dienstverband op kantoor was, zodat de werknemer geen rekening hoefde te houden met de aanwezigheid van een hond op kantoor. De kantonrechter oordeelt dat wanneer een werknemer hinder ondervindt van de hond - dat kan allergie zijn maar bijvoorbeeld ook angst - en wel zodanig dat dit van invloed is op de gezondheid en het welbevinden van de werknemer, een werkgever maatregelen dient te nemen. De meest voor de hand liggende maatregel is in dat geval het thuislaten van de hond.

Door de hond ondanks de klachten op kantoor te houden, negeert de werkgever de gezondheidsklachten van de werknemer en lijkt hij haar niet serieus te nemen, zo vindt de rechter. Hij oordeelt: ‘Een relatief klein probleem, de hond op kantoor, dat op het oog eenvoudig opgelost had kunnen worden – [de werkgever] heeft immers geen concrete omstandigheden genoemd waarom de hond op kantoor moest blijven – heeft tot gevolg dat [de werknemer] haar werkzaamheden niet meer kan uitoefenen en dat zij haar baan verliest.’

Billijke vergoeding
De werkgever moet uiteindelijk dus ‘als straf’ een billijke vergoeding betalen aan de werknemer, bovenop de transitievergoeding. De werkgever komt hier nog relatief goed weg. De kantonrechter weegt bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding mee dat niet met 100% zekerheid is vast te stellen dat de werknemer allergisch is voor honden, dat zij nog niet zo lang werkzaam was voor de werkgever en dat zij 31 jaar oud is en daarom geen slechte positie op de arbeidsmarkt heeft.  De rechter vindt echter belangrijk dat de werkgever de aanwezigheid van de hond kennelijk belangrijker vond dan de gezondheid van de werknemer, reden waarom de rechter een vergoeding van € 2.500,-billijk vindt.