Gevaarlijke stoffen en de Arbowetgeving

PrintPrint

Uit het onderzoeksrapport ‘Staat van arbeidsveiligheid 2018’ van de Inspectie SZW blijkt onder meer dat werkgevers te weinig doen om werknemers te beschermen tegen blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Minstens 57.000 mensen werken in bedrijven waar zij kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen, zonder dat dat risico voldoende wordt beperkt. Veel beroepsziekten met dodelijke afloop worden veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen; voor het overgrote deel door asbest, lasrook en kwartsstof. Wat zegt de Arbowetgeving over het beschermen tegen gevaarlijke stoffen en welke stappen moeten werkgevers nemen?

Inventariseren van de gevaarlijke stoffen
Allereerst moet de werkgever inventariseren welke gevaarlijke stoffen er binnen het bedrijf zijn. Het gaat om alle stoffen kunnen leiden tot schade aan de gezondheid van werknemers. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan kankerverwekkende stoffen of schadelijke stoffen die bij bepaalde werkzaamheden ontstaan, zoals houtskool of kwartsstof. Inventariseren gebeurt aan de hand van een ‘risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)’. Wanneer met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt moet de werkgever een register bijhouden waarin de gevaren van die stoffen worden gemeld. Wanneer ook met kankerverwekkende, mutagene of reproductie-toxische stoffen wordt gewerkt, moet de werkgever aanvullende informatie in het register vermelden. Zo moet (onder meer) worden vermeld hoeveel van die stof wordt gebruikt en welke werknemers daaraan worden blootgesteld.

Beoordelen van het blootstellingsniveau aan gevaarlijke stoffen
De werkgever moet vervolgens beoordelen wat het blootstellingsniveau aan de gevaarlijke stoffen is. Het blootstellingsniveau is een waarde die aangeeft in welke mate werknemers de gevaarlijke stof binnenkrijgen. Dit hangt af van de hoeveelheid waaraan zij worden blootgesteld en hoe vaak en hoe lang de blootstelling plaatsvindt. Vervolgens moet de werkgever beoordelen of die blootstelling onder de wettelijke grenswaarde blijft.

Nemen van beschermingsmaatregelen
De blootstelling aan de gevaarlijke stof moet onder de wettelijke grenswaarde liggen. Als er geen wettelijke grenswaarde is, is de werkgever verplicht zelf een grenswaarde vast te stellen. Dan wordt duidelijk welke maatregelen de werkgever moet nemen. Volgens de Arbowetgeving moet worden gewerkt volgens de ‘arbeidshygiënische strategie’. Dit houdt in dat maatregelen in de volgende volgorde moeten worden genomen: 

  • Bekijken of de gevaarlijke stof kan worden vervangen door een minder of niet schadelijk alternatief;
  • Als het niet mogelijk is de gevaarlijke stof te vervangen, dan moeten er andere maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld het plaatsen van ventilatie- of afzuigingssystemen;
  • Als voornoemde maatregelen geen oplossingen bieden, dan moeten er collectieve maatregelen worden genomen om de blootstellingsduur en het aantal blootgestelde werknemers te beperken. Door taakroulatie kan de blootstellingsduur per werknemer worden verkort;
  • Als blootstelling niet kan worden voorkomen of beperkt, dan moeten individuele maatregelen worden genomen. De werkgever moet persoonlijke beschermingsmiddelen verstrekken aan de werknemers.
  • Borging

Bij iedere verandering moet de werkgever controleren of de maatregelen nog steeds voldoen. Het kan gaan om een verandering binnen het bedrijf, zoals het vervangen van een stof of werken met een nieuwe stof, of het werken met zzp’ers of uitzendkrachten. Ook kan het gaan om een verandering buiten het bedrijf, bijvoorbeeld wanneer de wettelijke grenswaarde van een stof wordt aangepast of een stof wordt geplaatst op de lijst van kankerverwekkende, mutagene en reproductie-toxische stoffen (CMR-lijst). Volgens de Arbowetgeving moeten werknemers voorlichting en instructies krijgen over gevaarlijke stoffen. Werkgevers moeten hierbij vooral aandacht besteden aan de volgende zaken:

  • mogelijke gevaren voor de veiligheid en de gezondheid;
  • aard van de blootstelling;
  • grenswaarden;
  • voorzorgsmaatregelen ter voorkoming of beperking van blootstelling;
  • voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van een ongewilde gebeurtenis;
  • hygiënische maatregelen;
  • persoonlijke beschermingsmiddelen;
  • maatregelen in geval zich een ongewilde gebeurtenis voordoet.

De werkgever moet ervoor zorgen dat werknemers de voorlichting en instructies begrijpen en dat zij hiervan voldoende op de hoogte blijven. Ten slotte moet de werkgever toezicht blijven houden op het veilig werken met gevaarlijke stoffen.