BRZO 2015 aangevuld met nieuwe Regeling risico’s zware ongevallen

Public

In deze regeling worden ter uitwerking van het besluit onder andere voorschriften gegeven inzake:

  • informatie-uitwisseling tussen de instanties die belast zijn met de uitvoering en handhaving van het besluit;
  • de lijst van gevaarlijke stoffen bij de kennisgeving;
  • het preventiebeleid ter beheersing van de risico’s van zware ongevallen;
  • de inhoud van het veiligheidsrapport, waaronder de wijze waarop risico’s worden geanalyseerd, beschreven en berekend ten behoeve van de weergave daarvan in het veiligheidsrapport;
  • de wijze van indiening en de coördinatie door het bevoegd gezag bij de beoordeling van het veiligheidsrapport;
  • de actuele lijst van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen en de toegang tot relevante stofgegevens bij calamiteiten;
  • de melding na een zwaar ongeval.

Stoffenlijsten
In het besluit wordt onderscheid gemaakt tussen de lijst van de gevaarlijke stoffen en de actuele lijst van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen (zie de artikelen 1, 6 en 12 van het besluit en de bijlagen II en V bij de richtlijn). De genoemde stoffenlijsten hebben verschillende doelen en vereisten en zijn beide uitgewerkt in de artikelen 3 en 18 van deze regeling.

  • Artikel 3 betreft de lijst van gevaarlijke stoffen
  • Artikel 18 betreft de actuele lijst van de in de inrichting aanwezige stoffen

De lijst van gevaarlijke stoffen
Exploitanten van zowel hogedrempelinrichtingen als lagedrempelinrichtingen zijn verplicht een lijst van de gevaarlijke stoffen bij de kennisgeving te voegen. Deze lijst van de gevaarlijke stoffen moet beschikbaar zijn voor het publiek ter voldoening aan bijlage V, deel 2, onderdeel  4, bij de richtlijn. Deze stoffenlijst moet inzichtelijk zijn voor het publiek. Dit betekent dat van de stoffen of categorieën van stoffen en mengsels de belangrijkste gevaareigenschappen herkenbaar moeten zijn. De professionele stofbenamingen en gangbare stofnummeringen geven dat inzicht niet steeds. De categorieën stoffen en mengsels als bedoeld in bijlage I, deel 1, bij de richtlijn geven wel inzicht in de belangrijkste gevaareigenschappen van de daar opgenomen stoffen, zoals acuut toxisch, ontplofbaar, milieugevaarlijk en ontvlambaar. In deze regeling is verduidelijkt dat de lijst van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van het besluit inzicht moet bieden op basis van welke gevaarlijke stoffen of categorie van stoffen de inrichting een hogedrempelinrichting of een lagedrempelinrichting is.

Actuele stoffenlijst aanwezig in de inrichting
Exploitanten van hogedrempelinrichtingen zijn daarnaast verplicht om een beschrijving van de gevaarlijke stoffen in het veiligheidsrapport op te nemen (bijlage II, onderdeel 3, onder c, bij de richtlijn) en om een actuele stoffenlijst beschikbaar te hebben in de inrichting en te zorgen dat de hulpverleningsdiensten toegang hebben tot de actuele stoffenlijst (artikel 12 van het besluit). Dit heeft tot gevolg dat exploitanten van hogedrempelinrichtingen twee of drie stoffenlijsten hebben met de volgende doelen: inzicht bieden in de gevaaraspecten van de inrichting voor het publiek, informatie bieden ten behoeve van de beoordeling van het veiligheidsrapport en actuele informatie bieden over de aanwezige gevaarlijke stoffen en de gevaareigenschappen van die stoffen ten behoeve van de hulpverleningsdiensten. De verschillende stoffenlijsten hebben naar hun aard en functie een verschillend detailniveau van informatie.

Eén geïntegreerde stoffenlijst mag
In de praktijk kunnen exploitanten van hogedrempelinrichtingen ervoor kiezen om met één actuele stoffenlijst te werken, die ook beschikbaar is voor het publiek, mits deze lijst voldoet aan alle vereisten.

Risico-analyse en risicoberekeningen
Exploitanten van hogedrempelinrichtingen zijn verplicht tot identificatie en analyse van de ongevallenrisico’s en preventiemiddelen (zie artikel 10, tweede lid, van het besluit en bijlage II, onderdeel 4, bij de richtlijn).

Identificatie risico’s
De beheersing van de risico’s van een inrichting vereist het identificeren van mogelijke scenario’s van zware ongevallen en het analyseren van de risico’s daarbij. Het risico daarbij is de kans op een faaloorzaak verbonden met het effect van dat falen. Faaloorzaken binnen de inrichting zijn bijvoorbeeld gelegen in het technisch falen van een installatie of menselijk falen bij de bediening van een installatie. Externe of natuurlijke oorzaken zijn bijvoorbeeld mogelijke domino-effecten van naburige inrichtingen of domino-effecten als gevolg van een overstroming of een aardbeving.

Analyse risico’s
De exploitant is verantwoordelijk voor de analyse van de risico’s van zijn inrichting en voor het treffen van maatregelen om de risico’s van zware ongevallen te beperken. In Nederland worden bij het analyseren van de risico’s van een inrichting door de exploitant verschillende methoden toegepast voor de afweging en acceptatie van risico’s.

Onder een risicoanalyse van een hogedrempelinrichting wordt binnen deze regeling een samenstel van deelonderzoeken verstaan. Deze risicoanalyse omvat de volgende onderdelen:

  1. de kwalitatieve of semi-kwantitatieve inventarisatie en analyse van risico veroorzakende installatieonderdelen;
  2. de analyse van brandweer -scenario’s;
  3. een kwantitatieve risicoanalyse volgens de rekenmethodiek Bevi, gericht op de effecten van zware ongevallen op mensen in de omgeving en maatregelen;
  4. een milieurisicoanalyse gericht op de effecten van zware ongevallen op het watermilieu en
  5. voor zover relevant een kwalitatieve risicoanalyse van de effecten van zware ongevallen met een externe of natuurlijke oorzaak.

In Nederland is een kwantitatieve risicoanalyse een belangrijk instrument om de risico’s van een inrichting voor mensen in de omgeving geobjectiveerd te beoordelen. Exploitanten van hogedrempelinrichtingen melden de resultaten van de kwantitatieve risicoanalyse, zijnde het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, bij de kennisgeving aan het milieu-bevoegd gezag.

De werkwijze met kwantitatieve risicoanalyses is wettelijk geborgd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi). Ook in het besluit en de Regeling risico’s zware ongevallen 1999 (hierna: BRZO 1999 en RRZO 1999) was deze werkwijze wettelijk geborgd. In het besluit is het werken met kwantitatieve risicoanalyses geborgd door de eis in artikel 6, tweede lid, dat een hogedrempelinrichting het plaatsgebonden risico en het groepsrisico als bedoeld in het Bevi bij het milieu-bevoegd gezag moet indienen. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico geven inzicht in de veiligheidsaspecten van de inrichting voor mensen in de omgeving.

Een bijlage bij de RRZO 1999 met gegevens voor de kwantitatieve risicoanalyse volgens de rekenmethodiek Bevi is vervangen door een verwijzing naar de rekenmethodiek, bedoeld in artikel 1 van de Revi.

De focus van een kwantitatieve risicoanalyse volgens de rekenmethodiek Bevi ligt op risico’s voor de mens in de omgeving van de inrichting in termen van de kans op één of meerdere dodelijke slachtoffers als gevolg van een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze focus op menselijke slachtoffers is te beperkt om het risico te beoordelen van vervuiling van het watermilieu door het vrijkomen van gevaarlijke stoffen. Voor die risicoanalyse voor het watermilieu is door Rijkswaterstaat een systeem ontwikkeld, bekend onder de naam PROTEUS. Exploitanten en waterkwaliteitsbeheerders gebruiken PROTEUS bij het beoordelen van de risico’s van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen voor de waterkwaliteit.

Naast de kwantitatieve risicoanalyse en de milieurisicoanalyse moet op kwalitatieve wijze aandacht worden besteed aan mogelijke externe en natuurlijke oorzaken van zware ongevallen. De focus ligt hierbij voor de exploitant vooral op mogelijkheden om de gevolgen van een externe oorzaak van een zwaar ongeval te voorkomen of te beperken.

Regeling heeft geen ingrijpende gevolgen voor het bedrijfsleven
De inwerkingtreding van deze regeling heeft geen wezenlijke gevolgen voor het bedrijfsleven, omdat de verplichtingen in deze regeling grotendeels reeds bestonden op grond van het BRZO 1999 en de RRZO 1999. De regeling levert geen nieuwe lasten op voor exploitanten, bestuur of burger en er zijn geen gevolgen voor het milieu.