Verzamelbesluit gewijzigd: arbodeskundigen hoeven niet in vaste dienst, nieuwe ISO-norm lawaai

PrintPrint

In een verzamelbesluit dat op 1 januari 2017 van kracht geworden is, worden diverse technische wijzigingen doorgevoerd. De wijzigingen hebben betrekking op deskundigen bij arbodiensten, de risicio-inventarisatie en -evaluatie rond optische straling, geluid, duikarbeid, hijs- en hefgereedschap, ladders en trappen en verplichtingen van zelfstandigen en meewerkende werkgevers. 

Arbeidsovereenkomst deskundigen gecertificeerde arbodiensten
De eis in artikel 2.10, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat de deskundige een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling voor onbepaalde tijd moet hebben, is niet langer opgenomen. Dat betekent dat bijvoorbeeld ook een overeenkomst van opdracht, in de praktijk wel aangeduid als een dienstverleningsovereenkomst, gesloten kan worden om de verhouding tussen de deskundige en de arbodienst te regelen. Gebleken is dat het met name voor kleine arbodiensten bezwaarlijk is om arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd aan te gaan met deze deskundigen, ook al waren het overeenkomsten voor een beperkt aantal uren per jaar. In de praktijk is bovendien gebleken dat de continuïteit en daarmee de kwaliteit van de dienstverlening door arbodiensten niet afhankelijk is van de vorm van de overeenkomst met de deskundigen. De kwaliteit van de dienstverlening blijft verzekerd door de certificatie-eisen voor arbodiensten die in bijlage IIb van de Arbeidsomstandighedenregeling (hierna: Arboregeling) zijn opgenomen. Hierin is in hoofdstuk 6 bepaald dat de arbodienst de professionele onafhankelijkheid moet garanderen. 

Veiligheid tankschepen
De oude formulering van Artikel 3.5h wekte onbedoeld de indruk dat artikel 3.5g (voorschriften in verband met gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie) als regel niet van toepassing is op tankschepen. Dit speelt echter alleen voor bij ministeriële regeling aangewezen categorieën tankschepen, maar die is er tot op heden nooit gekomen. De voorschriften van artikel 3.5g van het Arbobesluit zijn dus altijd van toepassing op tankschepen. De formulering van artikel 3.5h is zodanig aangepast dat dit misverstand niet meer zal optreden.

Deskundigheid inventariseerder asbest
Artikel 14 van de Europese richtlijn 2009/148/EG van 30 november 2009 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk (PbEU 2009, L 330), verplicht wat betreft asbestwerkzaamheden tot voldoende deskundigheid via specifieke opleidingen. Ook verplicht de richtlijn in de artikelen 12 en 13 tot deugdelijk onderzoek voordat asbest wordt verwijderd. Zonder certificaat mag een bedrijf in Nederland geen asbest inventariseren en meestal ook niet saneren. Anders dan voor werknemers die asbest saneren, bestond er voor werknemers die asbest inventariseren in artikel 4.54a van het Arbobesluit nog geen deskundigheidsverplichting. Aan het nieuwe voorschrift dat bepaalt dat werknemers die asbestinventarisatiewerkzaamheden uitvoeren deskundig moeten zijn, wordt in elk geval voldaan indien zij beschikken over een certificaat Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA) van stichting Certificatie Asbest (Ascert). In deze stichting zijn werkgevers, werknemers en deskundigen in de branche vertegenwoordigd. Het betreffende certificatieschema is op de website www.ascert.nl te vinden en betreft dus geen wettelijk verplichte certificatieregeling. De gekozen formulering laat de ruimte voor de werknemer (en zijn werkgever) om overtuigend aan te tonen dat hij over een op andere wijze verkregen deskundigheid beschikt op minstens hetzelfde niveau als met het certificaat DIA wordt aangetoond.

Nieuwe ISO norm voor blootstelling aan lawaai
Om de dagelijkse en wekelijkse blootstelling aan lawaai te kunnen bepalen, zijn in artikel 6.6, onderdelen b en c van het Arbobesluit, definities gegeven die verwijzen naar formuleringen in de internationale norm ISO 1999;1990. Deze norm is ingetrokken sinds 11 maart 2016 en vervangen door ISO 1999:2016, zodat in artikel 6.6 de verwijzing is aangepast naar de nieuwe versie. Inhoudelijk is de tekst niet gewijzigd.

Vaststelling van en maatregelen tegen optische straling
De beoordeling, meting en berekening in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie van de niveaus van optische straling waaraan de werknemers waarschijnlijk zullen worden blootgesteld, dienen adequaat gepland te worden. De in artikel 6.12d, vijfde lid, van het Arbobesluit gebruikte term 'deskundige' is niet op zijn plaats en is daarom vervangen door de term 'zorgvuldige'. De beoordeling, meting en berekening dienen bij iedere meer dan marginale wijziging in de omstandigheden opnieuw uitgevoerd te worden. De eveneens in het vijfde lid gebezigde term 'ingrijpend' is te beperkend en daarom verwijderd.

Bij de in artikel 6.12e, tweede lid, onderdeel c, van het Arbobesluit genoemde technische maatregelen om de risico’s van blootstelling aan kunstmatige optische straling te beperken ter bescherming van de gezondheid dient men behalve de gezondheid ook de veiligheid van de werknemer in ogenschouw te nemen. Zowel de gezondheid als de veiligheid van de werknemer moeten in lijn met de uitgangspunten van de Arbeidsomstandighedenwet door middel van (technische) maatregelen beschermd worden. Daarom is hier het begrip veiligheid toegevoegd.

Longfunctieonderzoek is afdoende voor trainingen zelfredzaamheid onder water
Afdeling 5 van hoofdstuk 6 van het besluit bevat de verplichting dat men bij arbeid onder overdruk een arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 6.14a heeft ondergaan en beschikt over een duikcertificaat. Degenen die opleidingen voor zelfredzaamheid volgen die gericht zijn op het veilig ontsnappen vanuit een object onder water, zouden dan ook aan beide verplichtingen moeten voldoen. Dit zijn onnodig zware verplichtingen om de veiligheid van de cursisten te verzekeren. De betreffende opleidingen worden bijvoorbeeld gegeven aan personeel van (olie)productieplatforms op het continentaal plat die per helikopter worden vervoerd, of aan piloten, voor het geval deze onverwacht onder water geraken aan boord van deze luchtvaartuigen. Het is van belang dat in de trainingen de apparatuur kan worden toegepast waarmee deze luchtvaartuigen in de praktijk zijn uitgerust. De opleidingen worden gegeven in de geconditioneerde omgeving van een zwembad. Het nieuwe vierde lid voorziet erin dat de cursist geen volledig arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een gecertificeerd duikerarts hoeft te ondergaan, maar volstaan kan worden met een longfunctieonderzoek waarmee vastgesteld kan worden dat er geen verhoogd gezondheidsrisico is bij het volgen van de training. Dit onderzoek hoeft niet door een gecertificeerd duikerarts te worden verricht. Een longfunctieonderzoek is bedoeld om aandoeningen op te sporen die ertoe kunnen leiden dat de uitzettende lucht bij de opstijging tot schade aan de longen kan leiden.

Artsen die deze longfunctieonderzoeken uitvoeren, kunnen voor dit onderzoek gebruik maken van het protocol spirometrie dat op de website van het Nederlands Huisartsen Genootschap, of de COPD & Astma Huisartsen Advies Groep is te vinden (www.nhg.nl of cahag.nhg.org). De grootste risico’s bij de training doen zich voor bij de ontsnapping naar de wateroppervlakte. Om die reden moet een gecertificeerd duiker in het water aanwezig zijn om de cursist in het zicht te kunnen houden en in te kunnen grijpen als de cursist in gevaar komt, doordat hij bijvoorbeeld niet voldoende uitademt. De reserveduiker dient aanwezig te zijn voor het verlenen van hulp aan en het redden van de duiker indien deze in moeilijkheden raakt. De duikmedische begeleider moet direct symptomen van gezondheidsproblemen herkennen en indien nodig zo spoedig mogelijk contact opnemen met een gecertificeerd duikerarts. Uiteraard dient er ook een risico-inventarisatie en -evaluatie uitgevoerd te zijn, zodat de training is afgestemd op de belastbaarheid van de deelnemers en de specifieke omstandigheden. Het voorgaande geldt voor werkgevers, maar ook voor zzp'ers en alleenwerkende werkgevers. Daarom is artikel 9.5, vijfde lid, onderdeel c, eveneens aangepast.

Te gebruiken hijs- en hefgereedschap is geen subjectieve keuze werkgever
Dit betreft een aanpassing van de aanhef van artikel 7.20, eerste lid, van het Arbobesluit waarbij verduidelijkt wordt dat het type hijs- en hefgereedschap objectief wordt bepaald op grond van de in dat artikel opgenomen elementen en dat het niet gaat om een subjectieve keuze van de werkgever voor bepaalde typen hijs- en hefgereedschap. Uit oogpunt van adequate handhaving is gekozen voor deze neutralere formulering. In dit lid wordt verder niet gesproken over keuze op basis van de arbeidshygiënische strategie (bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Arbowet), maar gaat het over het gekozen hijs- en hefgereedschap dat afgestemd moet zijn op de kenmerken van de te hanteren lasten, de aanvatpunten, de haakvoorziening en de weersomstandigheden en voorts geschikt dient te zijn voor de uit te voeren hijs- en hefhandelingen. Het gaat hierbij om de meest praktische aanpak en niet om de (theoretische) bronaanpak.

Eisen aan gebruik van ladders en trappen aangepast aan uitspraken Raad van State
Aan het gebruik van ladders en trappen worden in artikel 7.23a van het Arbobesluit de nodige eisen gesteld. Volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) (ECLI:NL:RVS:2013:1236) volgt uit artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit (oud) dat in ieder geval de daarin vermelde maatregelen moeten worden genomen om het gevaar van het wegglijden van de voet van draagbare ladders en trappen tegen te gaan. Daarbij is de RvS van mening dat uit die bepaling volgt dat de maatregelen alternatief, los van elkaar, kunnen worden genomen, nu in die bepaling het woord «of» wordt gebruikt. Andere maatregelen dan de in de betreffende bepaling genoemd, dienen even effectief te zijn als de genoemde maatregelen. Daaruit begrijpt de RvS dat het gebruik van de genoemde maatregelen ieder op zich als effectief wordt beschouwd. Volgens de RvS suggereren de woorden «in ieder geval» in de aanhef van het tweede lid wel dat in voorkomende gevallen toch nog andere maatregelen kunnen zijn vereist, naast die in onderdeel a als effectief zijn geduid, echter zonder dat wordt omschreven welke die maatregelen zijn. De RvS vond deze bepaling in onvoldoende duidelijk. De eerste zin van artikel 7.23a, eerste en tweede lid, van het Arbobesluit is daarom omgevormd tot een doelvoorschrift (de norm) en het daarop volgende deel bevat vervolgens de meest voorkomende voorbeelden. Hiermee wordt duidelijk dat de werkgever niet zonder meer kan volstaan met een maatregel, maar dat hij ook moet kijken of tot gecombineerde maatregelen moet worden gekomen. Bijvoorbeeld bij het gebruik van (draagbare) ladders en trappen dient het gevaar van wegglijden (van de voet) met een doeltreffende maatregel tegengegaan te worden. Daarbij dient adequaat gehandeld te worden. Bij het begrip «adequaat» kan aan het volgende worden gedacht: de werkgever dient op basis van een inventarisatie van de feitelijke situatie ter plaatse en rekening houdend met eventuele bijzondere omstandigheden tot een beslissing omtrent het al dan niet adequaat zijn van de voorziening, te komen. In een denkbare situatie (bijvoorbeeld in het geval van een gladde (tegel)vloer is het enkel treffen van één van de in dit artikel genoemde maatregelen niet voldoende, maar dient er een combinatie van maatregelen gekozen te worden om het wegglijdgevaar te voorkomen.

Enkele verplichtingen bij verwijderen van asbest nu ook van toepassing op zelfstandigen en meewerkende werkgevers
Artikel 9.5 van het Arbobesluit gaat over nalevingverplichtingen voor zelfstandigen en meewerkende werkgevers. Deze verplichtingen zijn mede bedoeld om hen te beschermen tegen eigen ongezond en onveilig werken. Na heroverweging van de diverse artikelen van het Arbobesluit is om deze reden besloten nog een aantal bepalingen waarbij het gaat om het opstellen van een werkplan en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen bij het verwijderen van asbest (artikel 4.48 en 4.50), alsmede de keuze van arbeidsmiddelen (artikel 7.3) ook op hen van toepassing te verklaren en bij overtreding beboetbaar te stellen.